"Zilte Zoutelandse Zomers"
Het zonovergoten Zoutelande, dorpje van duizend inwoners, ligt aan de licht gebogen duinkust tussen Westkapelle en Vlissingen op het Zeeuwse schiereiland Walcheren. De diepe vaargeul zorgt ervoor dat de grote schepen vlak langs de kust varen. Het zuiderstrand wordt gepresenteerd als de Zeeuwse Rivièra. Een familiebadplaats zonder kapsones. Voor de kapsones moet je naar Domburg. In gedachten ga ik terug naar de vijftiger jaren.

...Zoutelande, ligt aan de licht gebogen duinkust...
Op 1 juni begint de invasie. Ieder jaar opnieuw komen ze, de badgasten, op zoek naar zon, zee en strand. Niks geen huidkanker, dat bestond gewoon nog niet. Dachten we. Het dorp heeft zich voorbereid. De twee bodediensten Minderhoud en Lievense hebben de hutkoffers gehaald van het bodeplein in Middelburg. Gezinnen komen per taxi van het station of per luxe automobiel. We zien dan de nieuwste modellen in ons dorp. Wij verhuurden ook een deel van ons huis. Met een vreemde familie onder een dak gaf een zekere opwinding. Maar als ze vaak genoeg kwamen, werden het vrienden en kon je mevrouw en meneer inruilen voor ome Jan en tante Bep.
Ons dorp was simpel, duidelijk en overzichtelijk. Geert Mak zou smullen van de veranderingen die het badseizoen in zo’n klein dorpje teweegbrengen. Iedereen kende elkaar met naam of toenaam. Het leven begon bij het plaatsnaambord. De Walcherse stoomtrambus bracht ons naar Middelburg om nieuwe schoenen te kopen of naar familie in Vlissingen. Sensatie als je met een vriend langs de duinen naar Vlissingen fietste omdat er op De Schelde een schip te water werd gelaten. De Spar en Végé, twee bakkers, twee groenteboeren, twee slagers en twee melkboeren. Men leverde aan huis en de leveranciers wisselden hun diensten om de veertien dagen of om de maand. Ons dorp was volgens mij geheel hervormd. Twee op het dorp wonende agenten hielden een oogje in het zeil en de dokter zat wat op een sociaal eilandje of in een ivoren torentje misschien.

...als je langs de duinen naar Vlissingen fietste...
Een aantal verenigingen ontfermde zich over ons culturele leven: de zangvereniging Hosanna, de muziekvereniging Luctor et Emergo, meisjes en jongensverenigingen van de CJMV. De Meeuwen, de voetbalvereniging waar menig inwoner trots op was, was op het eiland vaak een gevreesde tegenstander. We speelden soldaatje in de duinen. De bunkers stonden er nog en de verhalen van onze ouders over de oorlog kenden we en brachten we tot leven of we bekwaamden ons op het strand als uitvinders van het watermanagement. Dijkjes bouwen om een kreekje en het waterpeil onder controle houden. Kastelen bouwen van handjes druipsteenzand. Alle kinderen gingen naar de ene School met de Bijbel. Zij zorgden ook dat op bepaalde tijden de inwoners hun bijdrage konden leveren aan verschillende collectes: van de oorlogsgravencollecte (Klaproos) tot die van PIT (Protestants Interkerkelijk Thuisfront) dat onze jongens in de militaire tehuizen liet tafeltennissen.

...brachten de kotjes naar het strand...
Opgekochte legervoertuigen brachten de kotjes naar het strand. Met de jaren werd de tussenruimte wat krapper. Dat was een goed teken, want het werd drukker op het dorp. Iedere dorpsbewoner dacht na wat hij de badgasten kon bieden: Logies met ontbijt, garages werden ingericht, bolderwagens verhuurd en er kwam een consumptietent op strand. Jan de Bree bracht het water nog in twee emmers aan een juk naar strand. Hij runde de tent met zijn vrouw, beiden in klederdracht, met een sterk assortiment van koffie, thee, limonade, sprits en gevulde heer. Ik kwam er niet vaak. Voor mijn wekelijkse portie Valmakauwgom met filmsterrenplaatjes ging ik op zaterdag naar Suus Adriaanse. Dus bij de Bree had ik niks te zoeken en zo maar limonade kopen deed je niet. Later namen we zelf een Wemcofles met groene (!)limonade en handige beugelsluiting mee naar strand. Geert Wouters verhuurde zeewaardige kano’s en bij het Zeeuwse fotohuis kon je je laten fotograferen in Zeeuwse klederdracht. Oudere jongens van ons dorp liepen de stranden af met hun ijcokarretje. De keuze was nog niet zo groot. Vooral het verpakte vami-ijsje met vanillesmaak van 10 cent was een topper. De groenteboer liep in het zweet zijns aanschijns zijn kersen aan de man te brengen en het paard van de melkboer verscheen in de namiddag voor een wandelingetje van een half strand. Dat moest ieder kind een keer hebben beleefd, bovenop zo’n grote bles.

...bovenop een grote bles...
Mijn zomer begon met het aanschaffen van een zonnepet bij Jan de Visser:kleding, kruidenierswaren en comestibles. Een eenvoudige pet met platte klep als wapen tegen de zon. Mijn rode haar en blanke huid hadden mij als zongevoelig type gemaakt. Het tweede hulpmiddel was de grote ronde blauwe doos Nivea. Omdat mijn moeder overtuigd was van het gezonde strandleven offerde ik me op. Smeren, handdoeken op de knieën, onder de luifel. Fanatieke windvlagen zandstraalden je huid en in het water koelde je nauwelijks af. Ik had dan de warmte wel drie dagen opgeslagen in mijn lichaam. De bekende cyclus werd keer op keer herhaald: verbranden, vervellen en opnieuw verbranden. Thuis in bed voorzichtig omdraaien, want je was verbrand. Bruin werd je nooit. Als een witte pater begaf ik me geregeld onder het negervolkje. Waarom ben ik toch maar steeds gegaan? Je wilde erbij horen en mijn moeder was overtuigd dat dit alles goed was voor de gezondheid. Mijn vader had eigenhandig een strandhuisje in elkaar gezet en op het eind van het tweede strand stonden wat particuliere kotjes, meestal wit geschilderd. Dissonant tussen de kleurrijke rijen huisjes van Dingemanse (wit-groen), Janse (geel-blauw) en Gabriëlse (wit-groen, maar dan in een ander patroon). De huisjes werden gevuld met strandstoelen, zonneluifel, windscherm, primus en allerlei mogelijke schatten (vormpjes, emmertje, zeefje, schepje, grote schep, vlieger, later jeu de bouleballen, frisbee, houten batjes plus rubberballetje, badmintonspullen, zwembanden, rubberboten en soms een plaspotje voor oma).

...en er kwam een consumptietent op het strand...
Ook mijn ouders stelden hun bescheiden huis beschikbaar. Als enig kind mocht ik twee meisjes als tijdelijke kunstzusjes meemaken. De oudste was 2 jaar ouder en de jongste van mijn leeftijd. Wille heette ze. Een vreemde naam. De meisjes van ons dorp hadden andere namen: Sien, Zoetje, Lenie, Greet. Wille was goedgebekt, vlot en mooi. Dat had ik aanvankelijk nog niet zo in de gaten, maar ieder jaar veranderde ze iets. Spannend was dat. De eerste jaren rook ze naar palmolivezeep, maar toen ze voor mijn idee wat voller werd, werd haar geur wat exotischer. Zij was mij verbaal de baas. Ik keek vooral, dacht veel en fantaseerde. We zochten kreukels tussen de palen die mijn moeder ’s avonds kookte. Met een speld kon je de kronkellijfjes uit de schelp peuren.

...ook mijn ouders stelden hun bescheiden huis
beschikbaar...
("De Golfbreker", het huis uiterst links op de foto)
Toen we zo’n jaar of twaalf waren had de
Vereniging voor Vreemdelingen Verkeer ten behoeve van de badgasten een
strandfeest georganiseerd. Dat was een klapper. Kenden we nog niet in ons dorp.
Enkele badgasten zaten in de organisatie. Via aanplakbiljetten werden we
opgeroepen mee te doen aan schatgraven, zandfigurenwedstrijd en fortenbouw.Bij
het schatgraven had de organisatie hartstikke vroeg op een afgepaald stukje
strand vier kingpepermuntdozen verstopt met een prijzenbon. De zandfiguren was
iets voor de creatieve vormgevers en het fortenbouw voor een ieder die met een
schop de grootste berg zand zodanig strategisch kon verstevigen dat hij bij
opkomend water het langst standhield.
Wille had me die week klemgezet.
"Wij doen mee aan fortenbouw !"
"Leuk. Jij en Els ?"
"Nee, jij en ik. "
Het drong langzaam tot me door, het zwijgen moet haar als een bevestiging
geleken hebben.
"Lijkt me tof. Jij kunt goed scheppen."
Ik had het niet meer. Als de jongens van mijn klas mij met een meid zouden zien
scheppen. Hoe moet ik me daar dan uitkletsen ?
...wij doen mee aan fortenbouw...
Strandhuisje "Klaproos" geheel links op de foto
Die dag verscheen ze op de plaats delict in een
kort pofbroekje: wit met rode stippen, de omgekeerde vliegenzwam. Kan het nog
opvallender ? Ik had een grote schep van m’n pa meegenomen en zij had zo’n
kleine blauwe strandschep, speciaal voor badgastjes.Met een grote cirkel
omlijnden we ons werkterrein.Haar blonde haren, ranke figuur en eeuwige glimlach
flitsten voorbij afgewisseld met de klodders zand die we langzaam in
draaibewegingen in het centrum van ons fort gooiden. De zon brandde hevig maar
dit maal moest ik doorgaan. Als een dijkwerker uit Westkapelle ploeterde ik uit
alle macht. Mijn megakwakken zand tegenover haar bescheiden aandeel streelde de
loskomende mannelijke hormonen.
"Goed joh."
Zoiets zeiden wij nooit: "joh."
Na een flinke tijdsinvestering kwam het uur van de waarheid. We werden geacht
samen op ons fort plaats te nemen, wachtend op de vloed. Ik zat met mijn rug
naar de zon boven op ons fort, de armen om m’n opgetrokken benen. Wille vlijde
zich als een badnimf tegen mij aan. Uitgestrekt naar de zonnekant, mijn gekromde
rug als stoelleuning gebruikend zoals een doorgewinterde cruisegast zich op het
zonnedak etaleerde.
"Hebben wij toch mooi gedaan, Maupie!"
Onlangs kreeg ik de foto van deze pose nog eens in handen. De gevoelens van dat
moment er gratis bij. Ik weet niet meer wie er in de prijzen vielen en of ik
toen erg verbrand ben. Maar jaren later kun je zo heel anders op zoiets
terugzien, alsof de tijd momenten van vermeende afgang veranderd heeft in pure
glorie.

...Wille vleide zich als een badnimf tegen me aan...
Met de komst van de badgasten kwam ook de vooruitgang voor ons dorp. Men ging nadenken over hoe je zo’n economische impuls kon vasthouden en verbeteren. Op allerlei gebied werden de tijdelijke inwoners beziggehouden. Er kwamen meer strandhuisjes. In de richting van Westkapelle en Vlissingen werd de rij uitgebouwd. Houten vlonders op het mulle zand moesten het bolderwagenverkeer vergemakkelijken. Op een markant punt aan de zeewering werd een soort Baywatch tent neergezet compleet met rubberboot en signaalvlaggen. Bij wind uit zee de groene vlag en bij gevaarlijke winden de rood-blauwe. Autopuzzeltochten, filmvoorstellingen in zaal Middendorp, een openluchtkerk voor Rooms-katholieken, fietsenverhuur, Chinees restaurant, pizzatent en vooral grotere terrassen voor de graag geziene badgast. De voetbalvereniging De Meeuwen speelde tegen een elftal van badgasten en de dominee moest op zondagmorgen dubbele diensten draaien. Als extra entertaining liep het muziekkorps zijn rondjes of gaf een concert op de muziektent. Zomeravondstiltes in de Catharinakerk combineerden een muzikaal optreden met een stichtelijk woord.
Niet iedereen in het dorp had een PR-cursus
gevolgd. Hoe ga je met gasten om, hoe spreek je de Duitsers aan. Een van de
eerste badmannen was een flinke dialectspreker die in een kakipak werd gehesen,
netjes opgeleukt met een platte pet met rode band waarop in goudkleurige letters
zijn status was kenbaar gemaakt: VVV. De nieuwe badman inde kleine bedragen voor
het plaatsen van linnen tentjes en strandschermen. Honden die niet aangelijnd
waren, had hij al snel in de gaten. Hij wees achteloze jongelui op de nieuwe
prullenmanden en als de douches op de stranden kapot waren, meldde hij dat
onmiddellijk bij deskundigen. Jo de badman was een aanwinst voor een goed
strandleven.
Er waren wel eens klagers. "Herr Bademeister, es gibt hier soviel
Stacheldraht !"
Jo dacht niet na, maar reageerde als een bliksemschicht:"Da kan we wese, ma
dat ebbe julder in ’40 zelf gebrocht en nou ruum je ’t zelf ma wi op."

...es gibt hier soviel Stacheldraht!
De badgasten brachten met hun aanwezigheid nieuwe
verhalen in onze besloten gemeenschap. Na het seizoen werden die breeduit
doorverteld op de winterse visiteavonden.
Leuke en minder leuke zaken deden zich voor
natuurlijk. In de zomer moest de politie ook op sterkte worden gebracht en
maakten wij kennis met de diefstal, moord, zelfmoord, familievetes,
verkeersongelukken in een veelvuldiger aanbod dan we op heel Walcheren gewend
waren.
Mijn ouders hebben vele families over de vloer
gehad. Zo ook de familie Homan uit Eindhoven. Vader, moeder en enkele kinderen
die de deur nog niet uitwaren. Een groot, goed katholiek gezin. Toen vader Homan
wat verslagen van strand terugkeerde, bleek dat hij zijn kunstgebit in de
onstuimige golven was kwijtgeraakt. De rest van de familie was zeker niet
wanhopig. "We bidden met zijn allen tot de heilige Anthonius en vanavond
gaan we je gebit halen".
Wij als protestanten durfden elkaar bij deze mededeling niet aan te kijken, maar
toen we met zijn drieën alleen waren, moesten we toch wel lachen. "Ze
hebben natuurlijk geen idee van de stroming. Dat vind je nooit meer terug."
Die avond kwam de oudste zoon nog even langs voor het slapen gaan. "Kijk
mensen, hier is vaders gebit. We hebben met een groepje goed gezocht en ziehier
het resultaat."
Die avond hebben we onze visie op de bevriende wereldkerk wat bijgesteld.

...ze hebben geen idee van de stroming en van de vloed...
Bij alle druktes die een zomerseizoen meebracht,
was een ding duidelijk: 1 september was het dorp weer van ons. Dan was het
seizoen echt afgelopen en daar waren velen wel aan toe ook.
De uittocht begon al enige dagen daarvoor. Huizen werden schoongemaakt,
strandhuisje afgebroken en opgeslagen. Het dorp werd wat opgeruimd.
Noodzakelijke reparaties konden worden uitgevoerd en we spraken weer onze eigen
taal. Wat overbleef waren verhalen en kiekjes.

...wat overbleef waren verhalen en kiekjes.
(Familie Schoenmaker met Wille)
Maurits Schoenmaker
Foto's uit het archief van André Cijvat
Kijk ook op www.zoutelandeopfoto.nl